Case de heer Willems

Vraag 1

Aantal punten: 7

Erik is beleggingsadviseur en heeft een afspraak met de heer Willems. De heer Willems wil meer rendement halen dan de rentevergoeding op zijn spaarrekening. Erik krijgt op de vragen die hij aan Willems stelt duidelijke antwoorden en hierdoor krijgt Erik een goed beeld van de  kennis en ervaring, de financiële positie en de beleggingsdoelstelling van zijn mogelijk toekomstige cliënt.

Hij trekt de conclusie dat de heer Willems de risico’s van beleggen financieel gezien goed kan dragen. Het beleggingsprofiel dat naar zijn inzicht het beste past bij de heer Willems is een neutraal profiel. Het bij dit profiel verwachte rendement is voldoende om zijn doelstelling te behalen. Erik kan de heer Willems echter niet goed uitleggen wat de risico’s van beleggen zijn. Zo gaat de heer Willems er steeds vanuit dat het geprognosticeerde rendement ook werkelijk behaald zal worden. Erik kan hem NIET voldoende van zijn onjuiste verwachtingspatroon overtuigen.

Beheer, advies of execution only of NIET beleggen: wat moet Erik de heer Willems uiteindelijk adviseren? Motiveer uw antwoord.

Vraag 2

Aantal punten: 2

Uiteindelijk is het Erik toch gelukt om de risico’s van beleggen aan de heer Willems duidelijk te maken. Hij heeft de risicohouding van de heer Willems in kaart kunnen brengen door hem enkele scenario’s voor te leggen. Een scenarioanalyse is een goed hulpmiddel hierbij om inzicht te krijgen in hoe de inleg en de risicorestricties van de heer Willems uitwerken op zijn doelstelling. De scenarioanalyse kan ook inzicht geven in de kans op het NIET realiseren van zijn doelvermogen op de einddatum.

Als uit de scenarioanalyse blijkt dat de kans op het behalen van de doelstelling laag is, wat moet Erik hier dan mee doen?

A. Als de kans op het behalen van de doelstelling laag is, kan de heer Willems geadviseerd worden om via execution only te gaan beleggen.
B. Als de kans op het behalen van de doelstelling laag is, zal dit moeten leiden tot een negatief advies. Dit negatieve advies moet Erik vastleggen.
C. Als de kans op het behalen van  de doelstelling laag is,  moet afscheid  worden genomen van de heer Willems.

Vraag 3

Aantal punten: 2

De heer Willems wil meer weten over de kosten van het beleggingsfonds XYZ. Erik vertelt de heer Willems dat deze kosten bestaan uit: een beheervergoeding, een performance fee, transactiekosten door het fonds zelf, de operationele kosten en aan- of verkoopkosten.

Eventuele opbrengsten uit ‘securities lending’ worden van de kosten afgetrokken.

De heer Willems heeft wel eens gehoord van de Total Expense Ratio (TER). Hij vraagt Erik welke van de bovengenoemde kosten en/of opbrengsten onderdeel uitmaken van de TER.

Welke kosten en/of opbrengsten behoren tot de TER?

A. De beheervergoeding, een performance fee en transactiekosten door het fonds zelf.
B. De beheervergoeding, een performance fee en operationele kosten.
C. De beheervergoeding, de transactiekosten door het fonds en opbrengsten securities en lending.

Vraag 4

Aantal punten: 7

De heer Willems heeft een Europees aandelenbeleggingsfonds A in portefeuille. Hij vindt het rendement van 8% tegenvallen. Hij heeft gelezen dat een ander Europees aandelenfonds B, 14% heeft gerealiseerd. De heer Willems vraagt Erik of het zinvol is om te switchen van fonds A naar fonds B. Erik zegt dat bij een vergelijking tussen de rendementen van beleggingsfondsen ook gekeken moet worden naar de risico’s van deze fondsen.

Erik besluit het advies om wel of niet te switchen, uitsluitend te baseren op de Sharpe-ratio.

Hij heeft naast de bovengenoemde rendementen de volgende gegevens ter beschikking:

  • Risicovrije rente 3%;

  • Fonds A: standaarddeviatie 10%;

  • Fonds B: standaarddeviatie 16%.

Welk fonds is louter op grond van Sharpe-ratio het MEEST aantrekkelijk? Motiveer uw antwoord en geef van beide fondsen uw berekening.

Vraag 5

Aantal punten: 7

De heer Willems is drie jaar geleden begonnen met een strategische assetallocatie (neutraal profiel) van 50% aandelen en 50% obligaties. De tactische assetallocatie was op dat moment gelijk aan de strategische assetallocatie. De portefeuille was toen € 500.000,- waard. In de afgelopen vijf jaar zijn er geen mutaties geweest. In die periode is de waarde van het aandelengedeelte met 30% gestegen. De waarde van het obligatiegedeelte is gemiddeld op jaarbasis met 3% gestegen. De opbrengsten zijn telkens in dezelfde beleggingscategorie herbelegd.

De beleggingsonderneming waar Erik werkt is op dit moment positief over aandelen. Het beleggingsbeleid kent een overweging van 10% aandelen en een onderweging van 10% obligaties ten opzichte van het neutrale profiel.

De heer Willems wil zijn portefeuille terugbrengen in de verhouding volgens het huidige beleid van de werkgever van Erik.

Welke transacties moeten worden verricht om de portefeuilleverhouding conform het beleid van de beleggingsonderneming te brengen? Motiveer uw antwoord en geef uw berekening (afronden op hele cijfers voor de komma).


Antwoorden

Vraag 1

Erik moet de heer Willems adviseren om NIET te gaan beleggen. Het advies om te gaan beleggen lijkt prima aan te sluiten bij de financiële situatie van de heer Willems.  Echter zijn gebrek aan begrip van de risico’s van beleggen en de consequenties ervan weerhoudt Erik van dat advies (3 punten).

Wordt toch gekozen om te beleggen, dan bij voorkeur volgens de allocatie van een defensief profiel. Door de lagere standaarddeviatie zal het uiteindelijke rendement dichter bij het geprognosticeerde rendement liggen, dan wanneer gekozen wordt voor een neutraal profiel. (2 punten).

Beleggen kan überhaupt pas geadviseerd worden als deze risico’s en consequenties voor de heer Willems helder zijn. Het is GEEN optie om de risico’s van beleggen op een later tijdstip te bespreken. (2 punten)

Vraag 2

Antwoord B is het juiste antwoord.

Vraag 3

Antwoord B is het juiste antwoord.

Vraag 4

De Sharpe-ratio = (portefeuillerendement – risicovrij rendement)/standaarddeviatie.

De Sharpe-ratio van fonds A is  (8% - 3%)/ 10% = 0,5. (3 punten)

De Sharpe-ratio van fonds B is  (14% - 3%)/ 16% = 0,7. (3 punten)

Fonds B is op basis van de Sharpe-ratio de aantrekkelijkste van de twee. (1 punt)

Vraag 5

Oorspronkelijke portefeuille: € 500.000,- verdeeld over € 250.000,- aandelen en € 250.000,- obligaties.

Na drie jaar is de waarde van het aandelengedeelte met 30% gestegen. De waarde is dus € 325.000,-.(1 punt)

Na drie jaar is het obligatiegedeelte gemiddeld op jaarbasis met 3% gestegen. De waarde is dus (1,03) x (1,03) x (1,03) X  € 250.000,- = € 273.182,-.

De totale waarde van de portefeuille is € 598.182,-.

Op basis van de tactische assetallocatie, binnen het neutrale profiel, zou de portefeuille als volgt verdeeld moeten worden:

  • 60% aandelen = 60% x € 598.182,- = € 358.909,20. (1 punt)

  • 40% obligaties = 40% x € 598.182,- = € 239.272,80. (1 punt)

  • Er moet voor € 358.909,20 -/- € 325.000,- = € 33.909,20 aan aandelen worden bijgekocht. (2 punten)

  • Er moet voor € 273.182,- -/- € 239.272,80 = € 33.909,20 aan obligaties worden verkocht. (2 punten)

Heeft u vragen?

Onze opleidingsadviseurs
zijn nu telefonisch bereikbaar.

Op werkdagen van 08.00 tot 18.00 uur, m.u.v. vrijdag tot 17.00 uur. WhatsApp van 10.00-16.00 uur.

Vraag onze nieuwe studiegids aan

Het complete aanbod voor ambitieuze financieel dienstverleners ligt weer voor u klaar.

Benieuwd naar ons volledige aanbod? Vraag dan snel onze nieuwe studiegids aan:
 

Onze website maakt gebruik van cookies.